Blog

Het mbo: van permanente crisis tot permanente vernieuwing

Door:Anneke Westerhuis | Gepubliceerd op 21 augustus 2018 | Aantal reacties: 1

Het mbo: van permanente crisis tot permanente vernieuwing

Een paar jaar geleden publiceerden Marius Busemeyer en Christine Trampusch een studie naar de manier waarop in onderwijsstelsels de inhoud van beroepsopleidingen wordt bepaald. Ze keken zowel naar de stakeholders (overheden, bedrijfsleven) als naar het niveau waarop besluiten genomen worden (landelijk of in de school/regio).

Nederland is een van de landen waarin de inhouden collectief worden vastgesteld, samen met bijvoorbeeld Zwitserland en Duitsland. De overheid en het bedrijfsleven zijn erbij betrokken, evenals landelijke actoren, regionale stakeholders en de docenten zelf.


Het grote voordeel van het collectief vaststellen van inhouden is dat het beroepsonderwijs is ingebed in het onderwijsbestel én in het sociaaleconomisch bestel.

Permanent crisisgevoel

Daar staat wat tegenover. Ik noem dat ‘een permanent crisisgevoel’. Waar de overheid alert is op de aansluiting op de rest van het onderwijs, is de zorg van het bedrijfsleven of het onderwijs voldoende oog heeft voor ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. In collectieve stelsels is de balans tussen deze oriëntaties nooit lang in evenwicht; steeds moeten nieuwe compromissen worden gevonden.

De basis van het huidige mbo is gelegd in de jaren ’80, in de uitwerking van het Akkoord van Wassenaar. Toen is vastgelegd dat in eerste aanleg onderwijs en sociale partners samen verantwoordelijk zijn voor de aansluiting tussen het mbo en de arbeidsmarkt. Toen is ook de basis gelegd voor dat permanente crisisgevoel; wat is een optimale aansluiting en waar moet die tot stand komen?

Vele verwachtingen rondom ons beroepsonderwijs

Als de betrokkenen zich hier zelf niet over buigen, doen anderen dat wel voor ze. Zie het recente rapport Beroep op het mbo van het SCP dat de vraag stelt of het mbo wel klaar is voor de toekomst. De aanbeveling zal mensen uit het mbo bekend in de oren klinken: er moet adequater ingespeeld worden op veranderingen op de arbeidsmarkt. Op de vraag wat daarvoor nodig is, beroepsvorming of ook taal en rekenen, wordt een ambigue antwoord gegeven.

Wat het SCP ‘zwabberend beleid’ noemt, is in feite kenmerkend voor ons beroepsonderwijs; het moet aan vele verwachtingen voldoen. Om die verwachtingen te kanaliseren, zijn vele structuren bedacht en weer vervangen door andere. Een greep: boob’s, meerdere kwalificatieraamwerken, landelijke organen, kbb’s, sbb, keuzedelen en het regionaliseren van kwalificatiedelen. De frequentie waarin deze structuren worden herzien doet niet onder voor het tempo van veranderingen in de beroepspraktijk zelf.

Dat we ons toch weer over de aansluiting buigen, heeft een belangrijke reden. Tegenwoordig beschikken we over veel meer gegevens over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en hoe het mbo-studenten daar vergaat. Dat maakt het maken van uiteindelijke keuzes wellicht niet makkelijker, maar opent de mogelijkheid van een meer permanent en wellicht minder crisisachtig vernieuwingsproces.


Plaats hier uw reactie

Reactie:
Naam*
E-mailadres*

Overzicht reacties

Gepost: 27 augustus 2018 | Gepost door: Jos van Zwieten
Goede analyse! Volgens mij is de beste basis voor deze problematiek het voortdurende gesprek over vakmanschap en de ontwikkelingen daarin. Dat gesprek is geformaliseerd in de sectorkamers van SBB, en zit daar op een redelijk abstract niveau. De uitdaging is om ook andere tafels en instrumenten te benutten, zoals je suggereert. De ontwikkeling en uitvoering van vakwedstrijden is er volgens mij ook zo een, en is als zodanig onderdeel van een samenwerkingsovereenkomst tussen SBB en WorldSkills Netherlands, die samen met onderwijs en bedrijfsleven de Skills-competities organiseert. Goede wedstrijdopdrachten veronderstellen een helder beeld wat er van deelnemers verwacht wordt. Deze opdrachten worden door docenten uit het beroepsonderwijs en vakprofessionals uit het bedrijfsleven gemaakt, zijn gekoppeld aan bestaande kwalificatiedossiers, en leggen de nadruk op wat iemand met zijn vak moet kunnen laten zien. Nu is de verhouding docenten-vakprofessionals ongeveer 60-40. Die verhouding moet wellicht andersom. Ontwikkelde wedstrijdopdrachten geven, naast hun functionaliteit in de competities, ook veel informatie om snel in het onderwijs op te kunnen nemen en breder te gebruiken. Zie de publicatie 'aanstekelijk onderwijs' die daarover gaat (http://worldskillsnetherlands.nl/producten/). Wellicht ook een bijdrage aan het managen van de crisis.....
 | 1 |  >
Zoeken

Contactpersoon

 Anneke Westerhuis
Anneke Westerhuis
Managing onderzoeker
06-54647140

Socialize met CINOP