Blog

Over Bildung, verbeelding en meesterschap

Door:Jos van Zwieten | Gepubliceerd op 26 maart 2015 | Aantal reacties: 0

Over Bildung, verbeelding en meesterschap

Dit verhaal is gebruikt bij de workshop 'Practice what you preach​' tijdens de managementconferentie van CVI in Ulft, samen met Henk Welling, Meester Letterhouwer; 25 maart 2015

Minister Bussemaker zet, met een paar honderd miljoen extra euro's, in op een extra kwaliteitsslag in het mbo. Op 30 april 2015 hebben alle scholen hun kwaliteitsplannen ingediend. Daarin maakt iedere instelling duidelijk hoe deze in de komende vier jaar de kwaliteit omhoog helpt. Motto: de basiskwaliteit in orde, nu de lat omhoog.

Een en ander is vastgelegd in het bestuursakkoord van 11 juli vorig jaar. Daarin staan zes centrale punten:    

a) Professionalisering
b) Intensivering van het taal- en rekenonderwijs
c) Terugdringen van voortijdig schoolverlaten
d) Bevorderen van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming
e) Verbeteren van studiesucces
f) Stimuleren van excellentie

Iets met...
Voor 'excellentie' is een speciaal budget gereserveerd. Scholen mogen daarmee aparte activiteiten ontplooien om 'studenten in staat te stellen het beste uit zichzelf te halen'. Dat kan door studenten extra zetjes te geven naar hun vervolgopleiding, een eigen bedrijf of loopbaan. De minister laat het aan de scholen om, zoveel mogelijk in samenwerking met het bedrijfsleven, de goede dingen zo goed mogelijk te doen. Ze heeft wel een aantal suggesties gedaan: iets met internationalisering, iets met vakwedstrijden en iets met meester-gezel. Dit laatste refereert aan een essentie van de lange weg die uiteindelijk leidt tot een meesterlijke beheersing van praktisch, maar ook theoretisch vakmanschap.

Een lans voor de 'denkende doeners'
'Er bestaan geen twee soorten intelligentie. Manuele vaardigheden komen evenmin uit de lucht vallen als intellectuele. Daar mag geen misverstand over bestaan. Elke andere opvatting is niet alleen moreel verwerpelijk, maar ook economisch ineffectief.'

Deze uitspraak deed Nicolas Sarkozy als president van de Franse Republiek bij de inaugeratie van enkele honderden Meesters in 2008. Tanja Jadnanasing, 2e kamerlid voor de PvdA, breekt, passend in dat perspectief, een lans voor de 'denkende doeners'. Om maar aan te geven dat we echt af moeten van een hardnekkige, kunstmatig en volledige onterecht onderscheid tussen hen die kunnen leren en zij die dat niet kunnen maar gelukkig wel handig zijn met hun handen.  

De wet van 10.000
Talent komt hoe dan ook niet aanwaaien. Om iets echt goed te kunnen, moet je veel oefenen. Volgens de Amerikaanse psycholoog K. Anders Ericsson zo'n 10.000 uur (dat is in werkweken van 40 uur circa 6 jaar en 3 maanden). Malcolm Gladwell heeft in zijn boek Uitblinkers uit 2005 daar aan toegevoegd dat carrières niet alleen afhankelijk zijn van veel oefenen, maar ook van toevalligheden en geluk. En wellicht ook de juiste genen en opvoeding. Kortom: het is niet iedereen gegeven om uiteindelijk Meester in je vak te worden. De wetmatigheid van de 10.000 uren regel is zo sterk niet. Volgens Gladwell is talent "de vaardigheid om te oefenen'. Volgens hem betekent talent ''dat je zo veel van een vak houdt dat je bereid bent jezelf daar aan te wijden, op een bijna obsessieve manier. Een definitie van talent die met liefde begint, is een goede definitie."

Heel Frankrijk bakt, maar dan anders
Lyon (Frankrijk, 2007). Bij een speciaal kampement, samengesteld uit een groot aantal geklimatiseerde partytenten, melden zich zestien chef banketbakkers. Uit in totaal zeventig kandidaten zijn zij geselecteerd om in drie dagen te laten zien dat zij het waard zijn de prestigieuze titel Un des Meilleurs Ouvriers de France (MOF) te dragen. En dus een voor iedereen zichtbare blauw, wit en rood gestreepte kraag op de koksbuis te dragen.

De documentaire 'Kings of Pastry' (zoek 'm op) geeft een prachtig beeld van een liefdevol en bijna obsessief streven naar vakmanschap. Jarenlange voorbereidingen, een driedaagse uitputtingsslag, kandidaten die er af en toe emotioneel en fysiek volledig doorheen zitten. En een metershoog suikerwerkstuk dat net voor de jurypresentatie aan diggelen gaat. Net even anders dan Heel Holland Bakt. Uiteindelijk verdienen 8 (acht!) kandidaten de titel. Er zijn deelnemers die voor de vierde keer een poging doen, en dus al zestien jaar bezig zijn om de titel te halen. Dat is iets meer dan 10.000 uur…  

Meesterproeven en vakwedstrijden
Un des Meilleurs Ouvriers de France (MOF) is een onderscheiding die in Frankrijk al sinds 1924 wordt gegeven aan de beste vakmensen in allerlei disciplines: zeg maar de Franse Meestertitel. De Meesterproeven worden erkend, beschermd en ook georganiseerd door het Franse Ministerie van Werkgelegenheid. Voor de vakmensen in Nederland is een onderscheiding als de MOF helaas nog geen lonkend perspectief. Wij moeten het doen met beroepenwedstrijden, een verkiezing als mbo-uitblinker of docent van het jaar, vakman van het jaar of een eervolle vermelding in een jaarboek. Ook leuk, maar een stuk vergankelijker. Iedere branche en beroepsgroep heeft daarbij zijn eigen tradities, gewoontes en professionalseringstrajecten.

Meestertitel als ultieme lat
Het goede nieuws is dat er nu weer volop aandacht is voor meestertitels. In veel beroepsgroepen is er belangstelling voor invoering of herinvoering van een meestertitel. De slagers zijn er nu bijvoorbeeld mee bezig. En ook jullie eigen beroepsvereniging, de BV MBO, gaat dit jaar onderzoeken of er een eigen professionele standaard ontwikkeld kan worden. Met het programma 'excellentie in het mbo' wordt ingezet op een goede voorbereiding op meestertitels. Het basisidee is dat talentvolle leerlingen al in hun opleiding extra bagage meekrijgen en gestimuleerd worden om na hun opleiding in hun werk door te ontwikkelen richting meestertitel. Maar dan moet er natuurlijk wel een meestertitel zijn. En zo'n meestertitel is eerst en vooral van en voor de beroepgroep zélf, en niet een extra kwalificatie in het beroepsonderwijs. 

Het vak profiteert van de meesters
In de documentaire 'Kings of Pastry' zegt de toenmalige president Sarkozy tijdens de inaugeratie: 'l'Excellence, ça se merite' (excellentie, het is verdiend). Wie denkt echt goed te zijn, zal dat publiekelijk moeten kunnen laten zien. Meesterschap toon je aan. Je wordt het niet zomaar. Een onderscheiding als Meester betekent wat. In Frankrijk is de titel wettelijk beschermd en bedoeld voor het leven. Een kroon op het werk en aangetoond vakmanschap. Een titel zorgt voor aanzien en vaak ook commercieel succes. 
Het vak profiteert van meesters. In Nederland kennen wij voorbeelden vooral in de horeca, waar Meesterkoks, maar ook Meester Wijnkenners, Meester Gastheer/gastvrouw en Meester IJsbereiders letterlijk de sterren bij elkaar werken. Maar ook slagers, patissiers, bakkers, schilders en hoveniers hebben een titel of zijn er mee bezig.  

Nationaal Kampioenschap Vakmanschap
De uitdaging is om een brug te slaan tussen het beroepsonderwijs en de verdere professionalisering in het vak naar meesterschap. Vakwedstrijden vormen daarvoor al een geweldig middel. Om die reden hebben de instellingen via de mbo raad eind vorig besloten om een deel van de excellentiemiddelen daarvoor in te zetten. Skills Netherlands sluit daarvoor nu contracten af. Het perspectief is dat vakwedstrijden een structureel onderdeel worden van het beroepsonderwijs en dat we een jaarlijks Nationaal Kampioenschap Vakmanschap gaan organiseren. Door een krachtige samenwerking van onderwijs (po, vmbo, mbo en hbo), bedrijfsleven en overheid kunnen we daarmee op termijn een aanpak realiseren die vergelijkbaar is met de ontwikkeling van breedte- en dieptesport zoals NOC*NSF dat met een slimme strategie hebben neergezet.

Voor studenten kan dat er ook toe leiden dat praktijkexamens beter helpen om na te gaan waar je nu eigenlijk staat als vakman en vrouw 'to be'. In de meeste opleidingen is de praktijkexaminering een kwestie van voldaan of niet voldaan. De jureringssystematiek die in de vakwedstrijden ontwikkeld is kan helpen om dat oordeel meer kleur en inhoud te geven. Meer voordelen: vakwedstrijden zijn uitdagend en leerzaam, ze passen goed in het lesprogramma, ze zorgen voor vaktrots, zowel bij (begeleidende) volwassenen als jongeren, deelnemers ontwikkelen hun talenten, het zorgt voor enthousiasme en inspiratie, het krijgt veel positieve media aandacht. En, belangrijk, ze brengen onderwijs, overheid en bedrijfsleven samen.  

Een goed begin (is heel veel waard)
Maar met vakwedstrijden begint het natuurlijk pas. Het allermooiste is dat vakmensen zich uiteindelijk meester mogen noemen. En daarvoor is het nodig dat we in heel veel branches meestertitels gaan krijgen, waarop al in het beroepsonderwijs voorgesorteerd kan gaan worden. Dat zal in de komende jaren moeten gaan groeien. Er zijn nu al zo'n 14 branches die in dit kader willen gaan werken aan een standaard voor excellentie. Zo'n standaard is dan de basis voor de feitelijke ontwikkeling van de Meesterproef en het besluit van de branche om wel of niet een officiële titel te gaan voeren. Dan zou het natuurlijk ook prettig zijn als de titel ook een wettelijke bescherming krijgt, zodat niet iedereen zich zomaar Meester kan gaan noemen.

Informatie over wat er nu speelt kunt u vinden via www.excellentvakmanschap.nl.

Op 2 april 2015 organiseren we in Ede een aantal sessies voor onderwijs en bedrijfsleven om met elkaar te praten hoe je nou met elkaar een goed Meestertraject zou kunnen vormgeven.

Aanmelden kan (nog) via www.mboacademie.nl. Wees er snel bij want de belangstelling is groot.

Bildung in het beroepsonderwijs
Dit brengt mij, ter afronding, bij een meer principieel vraagstuk. Hoe zit het met de mogelijke opdrachten voor onderwijs en bedrijfsleven en de taakverdeling? Er is ongelofelijk veel geschreven over het beroepsonderwijs en de plek daarin van werkend leren. Het mbo heeft  best wel een moeilijke opdracht om de drievoudige kwalificatieopdracht (door-leren, loopbaan en burgerschap) goed uit te voeren. Het merendeel van de leerlingen gaat na het mbo toch gewoon aan het werk. Het beroepsonderwijs doet al decennia lang zijn stinkende best om met behulp van hele gerichte én hele complexe kwalificatiedossiers leerlingen af te leveren. Leerlingen die dan zo goed en snel mogelijk inzetbaar zijn in het arbeidsproces. Een mogelijk gevaar in de ontwikkeling van meestertrajecten is dat scholen denken dat ze nu meesters moeten gaan opleiden, of opleidingstrajecten gaan ontwikkelen die met zo'n kwalificatie kunnen worden afgesloten. Dat lijkt me a. niet juist en b. onmogelijk.

Er zijn weer geluiden dat er meer plek moet zijn voor de Bildung in het beroepsonderwijs. Brede, algemene beroepsvorming krijgt daarin meer aandacht dan smalle, specifieke beroepsvoorbereiding. De nieuwe kwalificatiedossiers bieden daarvoor ook de ruimte. Het snijden van een potlood (zoals Henk Welling in de workshop heeft onderwezen) heeft – als praktijk- en kunstoefening- een vormende en dus 'bildende' kracht die ons meer oplevert dan alleen een vaardigheid die ons nu, bij wijze van spreken, in staat stelt geld te verdienen met de productie en verkoop van ambachtelijk vervaardigede potloden. Het brengt ons eerst en vooral de lol van het ontdekken 'iets' te kunnen met je handen – wat dat dan ook uiteindelijk is. Het echte vak leer je uiteindelijk in de beroepspraktijk – waar die dan ook is-.

Een Bildende opmaat
De samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven aan meestertrajecten zou dan ook in mijn idee krachtiger zijn in de vorm van een taakverdeling dan in een vorm van co-creatie. Het bedrijfsleven en de werknemer zelf neemt daarin weer volop de regie op de beroepsvorming en de ontwikkeling naar een meesterlijk niveau van vakmanschap. De school legt daarin eerst en vooral een robuuste basis. Wellicht kan de school dan later in dat proces daarin ook wel helpen, maar scholing van werkenden en ervaren vakkrachten is toch een ander soort vak dan het opleiden van jongeren, en de vraag is of je dat dan moet willen. Een schoenmaker houdt zich beter bij zijn leest. Ik wil in dat kader ter overweging eindigen met enkele fragmenten uit een bijdrage van de (veel te vroeg overleden) Denker des Vaderland Rene Gude, in samenspraak met de Duitse filosoof Peter Sloterdijk:

Scholen zijn het centrale zenuwstelsel van de samenleving. (…). Het onderwijs moet mogelijkheden  bieden om 'iets van het eigen leven te maken'. Anderzijds is ook 'deelname aan de samenleving' een sterk motief, en is het perspectief van de beroepswereld diep doorgedrongen in het klaslokaal. (…). (Maar) een goede school leidt op voor een samenleving die er nog niet is (…). Disciplinering in basisvaardigheden, die Bildung mogelijk maken en deze een stabiel fundament geven, moet ontwikkeld worden. Daarnaast zijn richtinggevende idealen onontbeerlijk, goede voorbeelden bij voorkeur (Meesters zijn van die voorbeelden!). De stemming aan het begin van de 21e eeuw is dat de mens er niet zomaar op los kan leven, maar dat hij zijn leven moet 'leiden'. Door oefening en herhaling kan de docent de 'passief geoefende' leerling activeren tot een zelfstandig voelende, oefenende, voorstellende persoon. De leerling wordt uitgenodigd om postpassief, actief herhalend en strijdlustig te worden. Uit dit proces komt de 'gebildete' persoon tevoorschijn.

Ik denk dat vooral daar de uitdaging ligt voor 'excellent onderwijs'. Een Bildende opmaat naar het verwerven van vakmatige excellentie en Meesterschap.

Jos van Zwieten, maart 2015
 

Plaats hier uw reactie

Reactie:
Naam*
E-mailadres*

Overzicht reacties

 |  |  >
Zoeken

Meer over dit onderwerp

Downloads

Contactpersoon

 Jos van Zwieten
Jos van Zwieten
Managing consultant
06-10533767